Dinsdag 9 december 2014 – Den Haag – Zeven grote farmaceutische bedrijven willen Britse onderzoekers uitnodigen om een tweede blik te werpen op experimentele geneesmiddelen die uiteindelijk niet op de markt zijn komen. Dit zal de tot nu toe grootste samenwerkingsovereenkomst tussen de farmaceutische industrie en de academische wereld in zijn soort zijn.
De bedrijven die bijgedragen aan de bibliotheek van 68 experimentele medicijnen, die beschikbaar zal zijn via de Medical Research Council, zijn het Britse GlaxoSmithKline en AstraZeneca en Pfizer en Johnson & Johnson uit de VS. Ook Eli Lilly (VS), Takeda (Japan) en UCB (België) doen mee in het project.
De farmaceutische bedrijven hebben doorgaans miljoenen dollars en jaren onderzoek geinvesteerd in de experimentele medicijnen, voordat vanwege beperkte commerciële mogelijkheden verdere ontwikkeling werd afgebroken.
De hoop is nu dat door nieuw wetenschappelijk onderzoek van deze verwaarloosde middelen er nieuwe toepassingen kunnen worden gevonden.
De plannen voor de verbindingenbibliotheek werd in juli dit jaar al aangekondigd door Vince Cable, de Britse staatssecretaris van Handel en Innovatie. Vanaf maandag is echter pas bekend hoeveel middelen via het project beschikbaar zijn.
Meer dan een derde van de middelen zijn verbindingen die in staat zijn de bloed-hersenbarrière te passeren. Hierdoor kunnen ze bijzonder veelbelovend zijn voor de behandeling van neurologische en psychische aandoeningen.
Britse wetenschappers met een onderzoeksvoorstel kunnen bij de Medical Research Council een financiering aanvragen voor onderzoek naar de middelen. Als er uit het onderzoek een nieuw geneesmiddel voortkomt, dan heeft het farmaceutische bedrijf dat het experimentele middel beschikbaar stelt de eerste optie op de rechten en ontwikkeling van het medicijn
Groot-Brittanie is volgens de Times Higher Education de thuisbasis van drie van ’s werelds top vijf universiteiten voor medisch onderzoek, te weten Oxford, Cambridge en het Imperial College London.
Vergelijkbare publiek-private partnerschappen zijn ook overeengekomen met de National Institutes of Health – de Amerikaanse equivalent van de Medical Research Council.
Bronnen:
